"Terugblikkend zag ik dat ik mijn hele bewuste leven mezelf noch mijn strevingen begreep. Lange tijd kwam mij als goed voor wat voor mij verderfelijk was, en ik ging steeds een kant op die het tegenovergestelde was van de kant die ik in feite moest opgaan. Maar zoals de zee met zijn golven een onervaren zwemmer meesleurt en op de oever gooit, zo ook kreeg ik op ruwe wijze door de slagen van het noodlot weer vaste grond onder de voeten. En zo kon ik die weg gaan die ik altijd al had willen gaan.

Met mijn gekromde, haast geknakte rug was het mij beschoren uit mijn gevangenisjaren deze ervaring mee te nemen: hoe de mens slecht en hoe hij goed wordt. Bedwelmd door mijn vroege successen voelde ik mij onfeilbaar en was daarom wreed. In mijn overvloed aan macht was ik een moordenaar en geweldenaar. In de kwaadste ogenblikken was ik ervan overtuigd dat ik goed deed, dat ik toegerust was met steekhoudende argumenten. Op het rottende gevangenisstro voelde ik in mijzelf het eerste ritselen van het goede. Langzamerhand werd het mij duidelijk dat de lijn die goed en kwaad van elkaar scheidt niet loopt tussen staten, klassen of partijen maar dwars door ieder mensenhart... en dwars daar alle mensenharten. Die lijn is beweeglijk, schommelt in ons in de loop der jaren. Zelfs in een hart dat gevangen is in de greep van het kwaad, houdt die lijn een bruggehoofdje van het goede in stand. Zelfs in het allerbraafste hart een hoekje van onuitgeroeid kwaad.

Toen heb ik de waarheid van alle wereldreligies begrepen: deze strijden met het kwaad in de mens (in ieder mens). Je kunt het kwaad niet geheel en al uit de wereld bannen, maar je kunt het wel in ieder mens terugdringen.

Toen heb ik de leugen van alle revoluties begrepen: deze vernietigen alleen hen die op dat moment de dragers van het kwaad zijn (en zijn er niet vies van in de gauwigheid ook nog de dragers van het goede uit te roeien), het kwaad zelf erven ze nog in de verhevigde vorm.

Het Proces van Neurenberg moet de 20ste eeuw tot eer aangerekend worden: het trachtte de idee van het kwaad zelf te doden, doodde heel weinig door die idee besmette mensen (natuurlijk is dat niet de verdienste van Stalin; als het aan hem had gelegen was er minder gepraat en meer gefusilleerd). Als tegen het jaar 2000 de mensheid zich nog niet heeft opgeblazen en verstikt - misschien triomfeert die richting dan wel?...

Maar als zij niet triomfeert, zal de hele geschiedenis van de mensheid een zinloos proces van vertrappen zijn! Waarheen en met welk doel bewegen wij ons dan? Een vijand de hersens inslaan: dat kon ook de holemens wel.

"Leer jezelf kennen!" Niets kan in ons zozeer een gevoel van alles-begrijpen opwekken als het rusteloze peinzen over eigen misdaden, misgrepen en fouten. Als ze, na die moeilijke, veelvoudige jaarkringen van zulke overpeinzingen, het tegenover mij hebben over de harteloosheid van onze hoogste ambtenaren en de wreedheid van onze beulen... denk ik aan mezelf, toen ik die kapiteinspatjes had en mijn batterij oprukte door het in vlam staande Oost-Pruisen; en zeg ik: "Maar waren wij soms beter?..."

Als ze tegenover mij klagen over de slapheid, politieke kortzichtigheid, verdeeldheid en verwarring van het Westen, zeg ik: "Maar waren wij soms, voordat we door de Archipel heen gegaan waren, standvastiger? koppiger?"

Daarom zeg ik als ik op mijn gevangenisjaren terugkijk, en breng daarmee iedereen in opperste verbazing: "GEZEGEND ZIJT GIJ, GEVANGENIS!"

Ljev Tolstoj had gelijk toen hij ernaar verlangde in de gevangenis te gaan zitten. Op een bepaald moment begon deze reus te verpieteren. Hij had echt een paar jaar gevangenis nodig, zoals er na een tijd van droogte een flinke plensbui moet komen!

Alle schrijvers die over gevangenis schreven maar er zelf niet gezeten hadden, voelden zich verplicht hun mededogen tegenover de gekerkerden tot uitdrukking te brengen en de gevangenis te vervloeken. Ik heb daar lang genoeg gezeten, ik heb mij daar geestelijk verheven en ik zeg categorisch: "GEZEGEND ZIJT GIJ, GEVANGENIS, dat gij in mijn leven waart!"

(en vanuit de graven antwoorden ze mij: "Jij hebt mooi praten, jij bent in leven gebleven!")"

Aleksandr Solzjenitsyn, de Goelag Archipel